Deze keer in de serie van weetjes over dieren met zee in de naam is de zeekoet.

De zeekoet is een vogel uit de familie van de alken. Alken zijn vogelsoorten die voor komen op de open zee. ‘s Zomers zijn zeekoeten bij de kusten van Ierland, Verenigd Koninkrijk, Spanje, Normandië, IJsland en de Noorse fjorden te zien. ‘s Winters leeft de zeekoet op de open zee.

Het verenpak van de zeekoet is zwart met een witte buik. De poten zijn kort en bevatten zwemvliezen. De lichaamslengte kan ongeveer 40 cm worden, maar de spanwijdte kan ongeveer 70 cm zijn.

Zeekoeten zoeken hun eten op in het water. Ze kijken daarbij met hun kop onder water om te kijken of ze een vis zien.

De zeekoet legt in de broedtijd maar een ei per keer. Ze bouwen geen nesten. Gelukkig heeft het ei de vorm van een peer, daardoor kan het ei niet naar beneden vallen van de klif waar zeekoeten broeden. Het ei voelt ruw aan daardoor ligt het ei stabieler en is het ei waterafstotend.

Het ei wordt staand bebroed. De oudere zeekoeten herkennen hun ei aan de tekening en hun jong aan zijn geluid. Drie weken nadat het jong uit het ei is gekropen kan het nog niet vliegen en dus springt het onder begeleiding van de vader van de rotsen in zee. Daarna gaan ze gezellig met een hele groep naar Noorwegen.

Zeekoeten leven voornamelijk op zee en dat brengt gevaren met zich mee zoals olie. Wanneer een zeekoet aan land komt buiten het broedseizoen is er meestal iets mis. Dat kan uitputting of ziekte zijn maar natuurlijk ook de olie. Tegenwoordig kan 60% van de vogels herstellen van de olie mits het goede hulp krijgt van opvangcentra.